De circulaire aanpak van het Rijksvastgoedbedrijf

Rijksvastgoedbedrijf

Roger Mol, Rijksvastgoedbedrijf

Rijksvastgoedbedrijf huisvest veel mensen. “Van gevangenen tot het koningshuis,” schetst Roger Mol, directeur Transities en Projecten bij Rijksvastgoedbedrijf. Daar hoort veel vloeroppervlak bij. Ongeveer 12,2 miljoen m2 BVO, met name in kantoren, maar ook gerechtsgebouwen, defensie inrichtingen of musea. Dus hier is een mooie slag te slaan in de circulaire transitie.

Rijksvastgoedbedrijf wil een trigger zijn voor de circulaire economie

Als uitvoeringorganisatie die over alle kabinetten heen acteert, wil Rijksvastgoedbedrijf deze rol ook pakken. Roger Mol: “We moeten met onze portefeuille, waarmee we in heel Nederland zitten, een trigger zijn om met overheden en anderen de circulaire economie op gang te brengen.”

Hierin volgt het Rijksvastgoedbedrijf het Rijksbrede programma ‘Nederland Circulair in 2050’. Dat betekent 50% minder gebruik van primaire grondstoffen in 2030, in al haar nieuwbouw, onderhoud, renovatie of sloop van de miljoenen meters vloeroppervlak. En 100% circulair in 2050.

In samenhang sturen op energieneutraal en circulair vastgoed

Dit zijn ambitieuze doelstellingen, over een lange periode. Bovendien staan hier nog energiedoelstellingen naast  – zoals al het vastgoed op label A in 2030. Het streven naar energieneutraal en circulair vastgoed moet in samenhang gebeuren. Anders kunnen ze elkaar tegenwerken, legt Roger Mol uit. “Je kunt voor energiebesparing isolatiemateriaal in een pand stoppen, maar misschien creëer je dan ‘circulair’ later een probleem” – ­bijvoorbeeld door het gebruik van schaarse of toxische, niet-herbruikbare stoffen in het isolatiemateriaal. 

Twee leidende circulaire principes in alle uitvragen

Om niet vast te lopen in de hoeveelheid aan circulaire tools – zoals materialenpaspoorten, modulariteit, BIM of biobased – legt het Rijksvastgoedbedrijf het accent op twee circulaire principes. Dit geeft eenduidigheid binnen de eigen organisatie, maar ook richting de markt. Deze twee principes zullen de komende jaren dan ook terug te zien zijn in de uitvragen van Rijksvastgoedbedrijf.

Allereerst het model van de Trias Eco­logica, naar analogie met de veelgebruikte Trias Energetica (zie figuur). Een hiërarchie in ontwerpprincipes. 

Rijksvastgoedbedrijf prioriteert ontwerpen waarin de levensduur van gebouwen, gebouwonderdelen en gebruikte materialen zo lang mogelijk is. Demontabele ontwerpen staan lager in de hiërarchie. Roger Mol: “Dit hebben we geleerd van de architect van Circl. Je kunt heel mooi een gebouw demontabel maken, maar als de levensduur van het materiaal niet lang genoeg, dan heb je er niks aan.”

Als tweede circulaire ontwerpprincipe stuurt het Rijksvastgoedbedrijf op het inkopen van generieke gebouw­onderdelen. Want hoe meer standaard een gebouwonderdeel is, hoe groter de kans is dat het elders opnieuw ­gebruikt kan worden en dus een langere levensduur krijgt.