Transitieagenda Circulaire Bouweconomie: noodzaak en persoonlijke uitdagingen

Copper8

Cécile van Oppen, Copper8

“In de afgelopen 10 jaar heb ik een transitie ervaren van hergebruik op materiaalniveau (recycling) naar voorzichtige kleinschalige experimenten van hergebruik op component- en productniveau. Echter om dit op te schalen moeten we meer systeeminterventies gaan toepassen.” Zo schetst Cécile van Oppen. Tijd om deel te nemen aan het transitieteam en werk te maken van de Transitieagenda Circulaire Bouweconomie.  

Als medeoprichter van adviesbureau Copper8 maakte ze de afgelopen tien jaar al vele hoogtepunten mee op het gebied van circulair bouwen. Zoals de woonwijk Stadstuin Overtoom die gebouwd is met liefst 98% ­hergebruik van vrijkomend materiaal uit ge­sloopte woningen in de buurt, en de herhuis­ves­tingsopgave van Alliander in Duiven.

De noodzaak van de circulaire ­bouweconomie

Gedragen door de Rijksoverheid en partijen uit de sector legt de Transitieagenda Circulaire Bouweconomie de doelen hoger. Want, volgens de cijfers uit 2014, de bouw verbruikt nog altijd elk jaar meer grondstoffen en fossiele brandstoffen. En de sector produceert het meeste afval, in gewicht ongeveer drie keer meer dan het afval van alle Nederlandse huishoudens bij elkaar.

Om dit te veranderen, legt Cécile van Oppen uit, zouden we de focus moeten leggen op de processen, wetten en normen die de bouwsector reguleren. “We hebben lang de focus gehad op circulariteit, hergebruik op individueel product en gebouwniveau. Nu moeten we van circulariteit naar een circulaire economie,” met bijbehorende marktplaatsen en materiaalpaspoorten. En met een eenduidig antwoord op hoe je circulariteit meet en monitort, zoals we in de lineaire economie doen met omzet en winst voor een bedrijf, of met het BNP voor een land.

Een verschuiving aan de kant van opdrachtgevers is hier cruciaal. Mooi om te zien dat de Transitieagenda tot doel stelt: “In 2030 vraagt heel overheidsland in Nederland circulair uit.”

Vier persoonlijke uitdagingen 

“Natuurlijk is het niet makkelijk ge­weest om gezamenlijk tot een Transitieagenda te komen. Dat hoort bij de fase. Graag licht ik een tipje van de sluier op door de uitdagingen te schetsen die ikzelf ben tegengekomen.”

1. De definitie kwestie. Er ­zweven teveel definities van ‘circulaire economie’ rond. Utrechtse onderzoekers telden er 114, in een recente publicatie. Cécile: “Hebben we het alleen over grondstoffen, of ook over energie, of arbeid? Waar trekken we de systeemgrens?” 

2. Teveel recycling. Het recyclen van grondstoffen, zoals betonpuin in granulaat, of glasscherven in glas, is een eeuwenoud gebruik en vast onderdeel van de lineaire economie. Hier gaat vanuit circulair ondernemen teveel aandacht naar uit. Cécile: “Natuurlijk kan ook recycling altijd beter. Maar omdat het al werkt is het makkelijk om over te blijven praten.”

3. De balans tussen idealisme en realisme. Voor veel partijen is het onduidelijk wat de consequentie is van de circulaire transitie voor hun branche, hun voortbestaan. Cécile: “Wat is de consequentie van een gevel-als-dienst? Is het nog wel onroerend goed? Wie heeft er eigenaarschap over?” We weten het simpelweg nog niet allemaal. Helaas kan dat voor partijen de reden zijn om er (vanuit angst voor het onbekende) mee te stoppen. Zie het juist als kans en benut de ruimte die er nu nog ligt om die kans te ­verzilveren.

4. De zoekende overheid. De Rijksoverheid is in dubio over haar rol in de transitie: moeten ze vooral faciliterende regelgeving neerzetten, of vooral als opdrachtgever het voorbeeld geven? Bepaalde marktinitiatieven zijn zo snel opgekomen, zoals Madaster en het materialenpaspoort. De overheid wil meegaan met zulke innovaties, maar wil niet bepaalde marktpartijen voortrekken – een lastige spagaat