Opcirkelen: circulariteitsindicatoren

Opcirkelen in de Bouw is een tweejarig kennistraject waarin zeventien partners samenwerken en onderzoek doen op het gebied van hergebruik van secundaire bouwmaterialen (zie ‘Even voorstellen: Opcirkelen in de Bouw’). Binnen het project wordt er op vijf verschillende thema’s kennis ontwikkeld. De komende edities van het Stadsblad zal er elke keer één thema uitgelicht worden. Deze editie gaat over het meten van circulariteit, circulariteitsindicatoren.

Circulariteit, hoe meet je dat? Een kleine zoektocht levert al een grote hoeveelheid mogelijke indicatoren op. Vanuit allerlei verschillende invalshoeken, bijvoorbeeld van producent, opdrachtgever of onderzoeker. Voor dit project (Opcirkelen in de Bouw) zijn er dan ook geen nieuwe indicatoren bedacht. We hebben gekeken hoe bestaande meetmethodes (met indicatoren) van toepassing zijn op de circulaire renovatie van woonwijken. 

Als basis is hiervoor de welbekende R-ladder genomen, zie Figuur 1[i]. Het idee is dat hoger in de R-ladder de vraag naar materialen en grondstoffen afneemt, en daarmee ook de milieu-impact van een product vermindert.

Figuur 1: Weergave van de R-ladder, waarbij de vuistregel is dat circulariteitstrategieën die hoger op de ladder staan minder materiaal nodig hebben. En daarbij dus een lagere milieudruk.

De R-ladder is echter niet altijd eenduidig en kan op punten nader gespecificeerd worden. Zo zijn er voor sommige producten verschillende methodes voor recycling, welke scoort dan beter? In het project ‘Opcirkelen in de bouw’ is een stap gezet om de R-ladder meer kwantitatief maken. Zodat verschillende scenario’s beter met elkaar te vergelijken zijn. Dit is gedaan aan de hand van drie openbare methoden: de circulariteitsindicator van Madaster[ii] welke gebruik maakt van de Material Circularity Indicator (MCI) van de Ellen MacArthur foundation, de CB’23 meetmethodiek[iii] en het safe and sustainable material loops model (SSML) ontwikkeld door het RIVM[iv].  Al deze methodes zijn nog in ontwikkeling, en kunnen daarom (slechts) als eerste aanzet voor een circulariteitsscore worden gezien. De verschillende methodes zijn toegepast op verschillende renovatiescenario’s voor een woonwijk (data aangeleverd door TNO), met een focus op de gevel. Voor goede berekeningen is het belangrijk de juiste data te hebben, op het juiste detailniveau. Deze data ontbreekt nog weleens. Het is daarom belangrijk om goed te blijven kijken naar ‘het grote plaatje’ van het circulaire, en je niet blind te staren op het perfectioneren van een bepaalde indicator. Bij methodes waarbij geaggregeerd wordt, zoals in een MCI (Madaster) en SSML score, zijn vaak meer aannames nodig omdat niet alle data beschikbaar is.

Figuur 2: Circulariteitsindicatoren zijn afhankelijk van de beschikbare gegevens die vaak niet allemaal aanwezig zijn. Het is daarom belangrijk goed te blijven kijken naar het totale proces (realiteit).

De verschillende methodes resulteren op basis van dezelfde data in uiteenlopende resultaten. Dit laat zien er voor circulariteit geen universele indicator of methode is. Voor broeikasgassen is dit er bijvoorbeeld wel: CO2-equivalenten. Voor het meten van circulariteit zijn er vooralsnog verschillende methodes op verschillende abstractieniveaus, en is per project maatwerk vereist. Dit maakt het lastig om eenduidig scenario’s met elkaar te vergelijken.

Er zijn diverse indicatoren voor circulariteit, maar de overeenkomsten zitten wel in de ‘basisuitgangspunten’. Bijvoorbeeld door te kijken hoeveel % primair materiaal er gebruikt wordt (% massa primaire grondstoffen), en hoeveel % secundair of hernieuwbaar. Ook kan er gekeken worden naar hoeveel materiaal na de gebruiksfase gestort wordt en of (nieuwe) componenten makkelijk  herbruikbaar zijn en of het een losmaakbare verbinding heeft. Naast de materiële indicatoren kan ook gekeken worden naar andere aspecten die bijdragen aan circulariteit: bijvoorbeeld samenwerking in de keten, Spinners van cirkelstad, of er circulair aanbesteed wordt, en of er een materiaalpaspoort aanwezig is. Al met al zoals wijlen Johan Cruijff zou zeggen, ‘da’s logisch’!

Kortom, er is nog geen eenduidige manier gevonden om circulariteit te meten. Maar er zijn uiteraard al wel zaken die gemeten kunnen worden!   

Michiel van Kuppevelt
Adviseur circulaire economie, RIVM


Voor meer informatie over dit project: Naomi Montenegro Navarro,


Bronnen:


< Spinner uitgelicht: Cirkelstad Den Bosch | Cirkelstad Brabant 2020! >