Materiaalpaspoorten (2021)

Om in 2050 tot een volledig circulaire economie te komen moet er nog veel gebeuren: momenteel is de Nederlandse economie voor bijna 25% circulair. De bouwsector speelt een belangrijke rol in de transitie naar een circulaire economie: wereldwijd is de bouw- en vastgoedsector grootverbruiker van primair materiaal en verantwoordelijk voor zo’n 40% van
de CO2-uitstoot. Om de impact van de bouw effectief terug te dringen is een Transieagenda Circulaire Bouweconomie (2018) en het ‘uitvoeringsprogramma De Bouwagenda’ opgesteld.

De 3 belangrijkste punten uit dit paper:

  1. Een materialenpaspoort is essentieel voor het faciliteren van een circulaire bouweconomie. Door het digitaal ontsluiten van gedetailleerde informatie over bouwproducten en -elementen middels een centraal platform waar materialenpaspoorten aan gekoppeld zijn, kan een efficiënte markt in secundaire materialen en componenten ontstaan. Voorwaarde is dat vraag en aanbod op elkaar aangesloten worden, onder anderen door met dezelfde eenheden en grootheden te werken.

  1. Een paspoort kan op verschillende niveaus opgesteld worden. Binnen deze niveaus kan naar verschillende datasets verwezen worden. Daarbij is het detailniveau belangrijk om vraag en aanbod op elkaar te laten aansluiten. Er zijn nu nog veel verschillende typen paspoorten, waardoor dit nog niet het geval is. Idealiter is de volledige samenstelling, manier van montage, fysieke staat, leeftijd en elke vorm van onderhoud van elk element in een bouwwerk bekend. Het is daarom erg belangrijk dat er bij het opstellen samengewerkt wordt volgens de standaard van Platform CB’23: Leidraad paspoorten voor de bouw.

  1. Naast inzicht in (rest) waarde, levert het materialenpaspoort nog veel meer op. Hoe beter je weet wat de status en mogelijkheden van een bestaand element zijn, des te groter de kans dat je op tijd een nieuwe, hoogwaardige bestemming kunt vinden. Als de data uit een materialenpaspoort goed ontsloten worden, is niet alleen de matching van oud en nieuw makkelijker, maar gaat het vinden van een ‘circulaire oplossing’ ook veel sneller. Bovendien wordt beheer en onderhoud gefaciliteerd (data zijn online beschikbaar, je hoeft niet eerst naar de locatie) en wordt handhaving van beleid makkelijker.